Sittard
in de vroege 20ste eeuw Om
deken Tijssen een beetje te leren kennen en te begrijpen, kijken we eerst eens
naar de tijd waarin hij leefde. Rond 1900 waren in de omgeving van Sittard en
Geleen rijke kolen- velden aangeboord. Het was te verwachten dat die op afzienbare
termijn ontgonnen werden. De verwachtingen waren hoog gespannen, toen in 1915
daadwerkelijk een begin gemaakt werd met de aanleg van de Staatsmijn Maurits.
De Sittardse burgerij en haar politieke vertegenwoordigers gingen er zonder meer
vanuit dat hun stad het centrum zou worden van de nieuwe mijnstreek. Men baseerde
zich daarbij voornamelijk op de verzorgende functie die Sittard al eeuwen lang
vervulde. Particulieren en overheid investeerden veel. Winkels en werkplaatsen
werden gemoderniseerd en uitgebreid. De overheid spendeerde meer dan 2 miljoen
gulden (fl.2.000.000 in die tijd!) aan infrastructurele werken,grondaankopen,
onderwijs en woningbouw. Aanvankelijk leek alles naar wens te verlopen. Tussen
1915 en 1920 groeide de bevolking met 30 procent.
Maar
in 1921 kwam de eerste tegenslag. Door wereldwijde overproductie kelderden de
prijzen voor steenkool dramatisch. Tot grote teleurstelling van Sittard werd de
bouw van de Maurits gestaakt. Het gemeentebestuur en de middenstand voerden een
krachtige lobby richting Den Haag en de directie van Staatsmijnen om de werkzaamheden
te hervatten. Inderdaad werd in 1925 de Maurits geopend, doch niet in Sittard.
Buurgemeente Geleen plukte de vruchten. De pressie van Sittard had averechts gewerkt
op de directie van Staatsmijnen, die haar ambtenaren verbood zich in Sittard te
vestigen en die ook geen subsidie meer verstrekte voor de bouw van arbeiderswoningen
te Sittard. De gemeente bleef zitten met een torenhoge schuld, die in de daaropvolgende
jaren door de burgers via hoge belastingen betaald moest worden. De middenstand
kreeg een aantal faillissementen te verwerken. De ambitieuze plannen uit 1921
om op Sittards grondgebied een haven aan te leggen voor de afvoer van steenkool
werden in 1925 opnieuw naar voren gebracht, maar leden schipbreuk. De haven kwam
in Born. De wijken Sanderbout en Kleindorp werden gebouwd met in totaal 121 arbeiderswoningen.
Er kwamen grote bouwprojecten in Overhoven, Stadbroek en het Limbrichterveld.
Aan de grens van het stadscentrum werd een villapark aangelegd voor de huisvesting
van hoge mijnbeambten, maar de meeste mijnwerkers en beambten vestigden zich in
Geleen. In Susteren waren er ook problemen, maar die waren van heel andere aard.
De pastoor van Susteren werd tot deken van Sittard benoemd. Het problematische
daarbij was, dat enerzijds de pastoor niet wilde, en anderzijds de parochianen
hem niet kwijt wilden De naam van de pastoor was Louis Tijssen.
Zijn
jeugd Louis
Tijssen werd als vijfde kind geboren op Allerzielendag, 2 november 1865, en zoals
in die tijd de gewoonte, zo spoedig mogelijk gedoopt. Het was gebruikelijk de
boreling naar zijn peetoom, molenaar en burgemeester van Grathem, Louis Schreurs
te noemen. Dat liep bijna mis, want een peettante wilde hem Joseph noemen. Peetoom
Louis was daarover zo kwaad, dat hij dreigde niet naar het doopfeest te komen.
Zo werd het toch Louis. Hij was trouwens erg trots op zijn naam. Als mensen hem
vroegen hoe hij heette, antwoordde hij trots: "Louis, koning van Frankrijk".
Van zijn jeugd is verder niet veel meer bekend, dan dat hij lid was van de harmonie
in Wessem. Er wordt verteld en Jac. Schreurs vermeldt het in zijn in 1957 verschenen
boek: "Pastoor-Deken Tijssen van Sittard", dat de achtjarige Louis plotseling
werd overvallen door een ziekte, waartegen de huisarts geen remedie wist. In haar
wanhoop wendde zijn moeder zich tot O.L. Vrouw van het H. Hart, die in Sittard
bij de ursulinen wordt vereerd. Zij deed de belofte ter bedevaart naar Sittard
te gaan, indien Louis zou genezen. Louis genas en zijn moeder trok naar Sittard.
In het ursulinenklooster ontmoette zij mere Marie Scholastique die vervolgens
de voorspelling deed, dat Louis eens priester zou worden en zelfs deken van Sittard.
Toen hij zeventien was, ging hij naar Rolduc. In het toenmalige Rolduc was Frans
de voertaal. In cultureel opzicht immerde Rolduc aan de weg. Als onderwijsinstelling
werd een behoorlijke bibliotheek opgebouwd. Daarnaast werden er toneel- en muziekuitvoeringen
gegeven. Vooral het muziekleven bloeide onder de supervisie van componist en musicus
Bernard Antoine Pothast. Rolduc had zijn eigen orkest en koor, die de kerkelijke
vieringen opluisterden en verder elke feestelijke gelegenheid, zoals bezoeken
van de bisschop of de prijsuitreikingen. Onder leiding van Pothast werden in de
aula concerten gegeven en opera's opgevoerd. In de jaren tachtig van de negentiende
eeuw bereikten de muziekuitvoeringen te Rolduc hun hoogste peil. Behalve gemusiceerd
werd er ook veel toneelgespeeld. Meestal waren het dan Franse stukken. De hierboven
genoemde componist Pothast was in zijn tijd een beroemde Sittardenaar. Vader
Pothast was voorzanger en dirigent van het Petruskoor. Hij is ook bekend als kroniek-schrijver.
Musiceren en toneelspelen stond in Rolduc op hoog peil. Louis heeft daar ongetwijfeld
een goede muzikale vorming genoten.
De
priesterstudent Na
zijn opleiding in Rolduc verhuisde Louis Tijssen in oktober 1885 naar Roermond
om daar zijn studie voort te zetten en tot priester te worden gewijd. Daar kreeg
hij 'de kleier aan'.Oudere lezers weten nog wel wat dat betekent, hij ging een
toog dragen. Het effect van deze inkleding was, dat hij op straat met respect
werd begroet en met 'eerwaarde' of 'mijnheer' werd aangesproken. Voor zijn familie
en dorpsgenoten was nu duidelijk, dat Louis Tijssen priester werd. Hij werd op
6 oktober ingeschreven in het register van het seminarie onder volgnummer 328.
Het sombere gebouw zonder enig comfort werd zijn nieuwe domicilie. Wel hadden
de studenten, in tegenstelling tot Rolduc, ieder een eigen kamer. Een kamer waarin
geen enkele luxe te vinden was. Slechts enkele kamers hadden een eigen haard,
de rest was 's winters onverwarmd. Wie geluk had, bezat een kamer op het zuiden
of één waar een rookkanaal doorheen liep dat nog enige warmte uitstraalde. De
meubilering bestond uit een bed, een tafel en een leunstoel. Badkamers waren er
nog niet. De huisvesting en het levensritme waren spartaans. Elke morgen stond
men om kwart voor vijf op. Om half zes was de mis, daarna was er studie, ontbijt
en lessen. Rond het middaguur was er voor het eten aanbidding voor het Allerheiligste
en 's avonds was er een kort lof. Eenmaal per week hadden de studenten een vrije
middag. Ontspanning moest men zelf zoeken binnen de seminariemuren. Per regio
(dekenaat) organiseerden de studenten zich in gezelligheidsclubs, de zogenaamde
'sociëteiten'. De oudste sociëteit of 'soos' werd in 1838 opgericht in het groot-seminarie
van Luik. In Roermond handhaafde men de soostraditie en bouwde deze verder uit.
De sociëteiten poogden met regelmaat elkaars notulen, opgetekend in de 'soosboeken',
te bemachtigen. De eigenaar kon deze dan terugkopen tegen een biertraktatie! De
soosleden organiseerden echter ook inzamelingen voor liefdadige doelen. De
sociëteiten hadden bovendien als doel de banden tussen de seminaristen uit een
bepaalde regio te versterken. Louis was het populairste lid van de sociëteit omdat
hij door zijn gulle lach en natuurlijke hartelijkheid veel bijdroeg aan de gezellige
conversatie. Onder het genot van een sigaar of pijp en een kop koffie legde hij
tevens graag een kaartje. De gebruikelijke grappen en plagerijtjes zullen ook
Louis Tijssen niet vreemd zijn geweest. In zijn vrije tijd en tijdens
de vakanties verbleef hij bij zijn moeder in Wessem. Bovendien was hij in Roermond
geregeld te gast in het gezin van Joseph Tijssen, een neef van zijn vader. Joseph
Tijssen was een bekende persoonlijkheid in de toenmalige bisschopsstad. Zijn grote
liefde voor muziek bracht hem ertoe in 1880 het 'Roermonds Mannenkoor' op te richten.
Hij was tevens erelid van de Roermondse 'Koninklijke Harmonie'. Joseph Tijssen
stond verder bekend om zijn bereidheid de armen te helpen. Uiteraard hielden
de studenten zich niet enkel bezig met hun sociëteit en familiebezoek, maar werd
het leeuwendeel van hun tijd onder het toeziend oog van president Hoefnagels gevuld
met lessen en zelfstudie. (Liturgie en kerkgeschiedenis). Louis Tijssen kon
zijn studies niet te Roermond voltooien. Hij werd op 25 augustus 1888 benoemd
tot surveillant te Rolduc. Hij moest toezicht gaan houden op de studenten van
Rolduc. Het restant van de leerstof moest hij derhalve door zelfstudie meester
zien te worden. In Rolduc moest Tijssen de prefect bij staan in het handhaven
van de orde. In 1889 werd hij in de kapel van het Groot Seminarie tot priester
gewijd.
De
jonge priester De
priesterwijding vond plaats in de Caroluskapel van het Groot-Seminarie in het
bijzijn van de naaste familie, de professoren en de medestudenten. De jonge priesters
gingen vervolgens naar hun geboorteplaats om daar hun eerste H. Mis op te dragen.
Zij werden met veel uiterlijk vertoon van de feestelijk versierde ouderlijke woning
afgehaald en in processie naar de kerk geleid. De hele (dorps ) gemeenschap
vierde feest. Na een vakantie van een à twee maanden werden de nieuwe priesters
ergens in Limburg geinstalleerd als kapelaan of benoemd tot leraar aan een college.
In de 19de eeuw waren er meer dan voldoende priesterroepingen. Het bisdom kon
het zich zelfs veroorloven priesterzonen te 'exporteren' naar het moederdiocees
Luik waar sedert 1850 een groot priestertekort was. Ruim negentig Limburgers werkten
tussen 1841 en 1936 als priester in Luik. Rond 1900 ontstond door de opkomst van
de mijnbouw en de daarmee gepaard gaande bevolkingsgroei in Zuid-Limburg een priestertekort,
dat de bisschop noodzaakte de hulp van paters in te roepen om de priesters van
het bisdom te helpen. Zo ontstonden in Sittard de rectoraten: Overhoven, Ophoven,
Stadbroek en Leijenbroek. Deze rectoraten werden het domein van de paters. Tijdens
zijn vakanties assisteerde Louis Tijssen in de parochie van zijn geboortedorp
Wessem. Hij verleende zijn hulp bij de eerste communie van de kinderen, de processies
en andere pastoorswerkzaamheden. Louis Tijssen werd tot zijn spijt geen parochiepriester,
maar professor in Rolduc. Professor was de gewone titel van priesterleraren in
Rolduc en de Bisschoppelijke Colleges. Welke vakken hij doceerde is niet duidelijk.
Oud-leerlingen herinnerden zich dat zij Nederlands, Latijn en godsdienst hadden
van professor Tijssen. Opgeleid tot priester had de jonge professor Tijssen nauwelijks
kennis van onderwijskunde. Het kostte hem in het begin veel moeite de orde onder
de studenten te handhaven. Eerst probeerde hij dat met krachttermen en dreigementen.
Gaandeweg leerde hij de kneepjes van het vak. Bovendien zullen de collega's hem
wel de nodige adviezen hebben gegeven. Zijn van nature nogal opvliegend temperament
wist hij te bedwingen, zodat hij een opmerking als 'ik plak je als een postzegel
tegen de muur', enkel nog schertsend gebruikte. Ondanks de aanvangsmoeilijkheden
wist Tijssen zich te handhaven temidden van leerlingen en docenten. Met zijn collega's,
voor het merendeels priesters, had hij een goede verstandhouding. Hij was buitengewoon
behulpzaam en te allen tijde bereid voor anderen in te vallen, zoals voor zijn
jongere collega W.H. Nolens, de priester-politicus die lid werd van de Tweede
Kamer en dikwijls op reis moest. In onze gemeente zijn verschillende lanen en
straten naar deze Nolens genoemd. Zoals gezegd nam Tijssen zijn lessen over als
de priester-politicus naar Den Haag moest. In de avonduren nam Tijssen graag deel
aan de gezelligheidsbijeenkomsten van de docenten, waar onder genot van koffie,
wijn en sigaren de gebeurtenissen van de dag besproken werden. Toen hij in 1898
prefect geworden was, schoten deze avonden er grotendeels bij in. Hij had immers
een zware dagtaak en viel geregeld in slaap. Zoals bij leraren de gewoonte was,
kreeg ook professor Tijssen spoedig enkele bijnamen.
Prefect
op Rolduc De
priesterstudenten waren niet allemaal brave jongens en prefect Tijssen had er
heel wat mee te stellen. Over kleinere overtredingen, zoals te laat komen, geen
Frans spreken, vloeken, ruzie maken en dergelijke, besliste de prefect zelf. De
overtreder werd in elk geval genoteerd en kreeg "slechte punten". Daarnaast
konden "boosdoeners" nog rekenen op strafstudies voor kortere of langere
tijd. Bij een ernstig vergrijp werd een student 'a la fenetre' gestuurd, een venster
op de 'herengang' dat uitzag op de cour (speelplaats), zodat men voor heel Rolduc
te kijk stond. Na zijn benoeming tot prefect werd hij veelal 'de chef' of
'de vrundj' genoemd. De eerste bijnaam had hij te danken aan zijn gezegde 'Je
suis le chef de la maison', waarmee hij doelde op zijn verantwoordelijkheid voor
orde en gezag. De tweede bijnaam kwam voort uit het feit dat hij de studenten
steeds aansprak met 'vriend'. Hiermee hangt ook zijn bijnaam 'wat ja' samen, omdat
hij dikwijls de uitdrukking gebruikte 'Wat ja, vriendje' . Prof. Tijssen had naast
zijn leraarschap nog andere taken te vervullen. Hij had onder andere ook de zorg
voor de ziekenzaal. Een taak waarvan hij zich met grote toewijding kweet. Zijn
ziekelijke collega Pierre Marres nam hij speciaal onder zijn hoede. Hij begeleidde
hem als ziekenverzorger onder meer naar Davos. Als 'ceremoniarius' leerde hij
zijn collegae Marres, Bakhuys en Van Gils hoe ze de mis moesten doen. Bij de geleerde,
maar ook verstrooide Marres ging dat niet van een leien dakje. Aan de hilariteit
die hierdoor ontstond, kon ook Tijssen zich niet onttrekken. Ofschoon hij de studenten
er dikwijls op wees dat het leven een ernstige zaak was, was hij allesbehalve
een chagrijnig man. De humor van komische situaties kon hij waarderen. Hij stond
bekend om zijn gulle, soms onbedaarlijke lach en hij kon intens genieten van het
goede en schone der aarde. Aan conventies was hem niet veel gelegen. Zijn voorkomen
was nogal slordig, waardoor hij opviel binnen Rolduc. Er bestaat ook een weinig
flatteus beeld van Tijssen, dat we de lezer niet mogen onthouden. Hij was erg
nonchalant, slordig op zijn kleren en uiterlijk. In zijn toogzakken verstopte
hij van alles: ballen, pijpen messen etc. Ook zijn zitkamer was armelijk, versleten
en vol rommeldozen. Zijn bonnet was vuil en verschoten. Hij had een boers voorkomen
in de zware logheid van zijn lichaam en in zijn manieren, ofschoon hij beleefd
was en voorkomend ook tegenover vreemden. Op zon- en feestdagen als hij een zuivere
toog en boord droeg, was hij een ander persoon. Zijn kamer was armoedig. Sommigen
beweerden de armoedigste van Rolduc. Van het salaris was inderdaad niet veel te
beginnen. Als prefect verdiende Tijssen 475 gulden. Voor het volgende jaar zou
het salaris met 25 gulden verhoogd worden. Deze 500 gulden was het maximumsalaris
dat een docent op Rolduc kon verdienen. Ter vergelijking: mijnwerkers verdienden,
afhankelijk of ze ondergronds of bovengronds werkten, gemiddeld 770 en 476 gulden.
Opmerkelijk is dat de prefect, ondanks zijn zware en verantwoordelijke taak, niet
extra betaald werd. Temeer, omdat hij door zijn veelomvattende ambt ook niet in
de gelegenheid was iets bij te verdienen. Wel moet vermeld worden, dat de docenten
te Rolduc vrije kost en inwoning hadden.
Louis
Tijssen, die priester was geworden om tussen de mensen in een parochie te werken,
werd - tegen zijn verwachting - door de bisschop in het Seminarie van Rolduc aangesteld
als prefect. De prefect was de tussenpersoon. tussen de schoolleiding en de studenten.
In de praktijk waren pedagogische bekwaamheden voor het ambt van prefect belangrijker
dan wetenschappelijke kennis. Gedurende dertien jaar zou hij die taak met grote
loyaliteit tegenover zijn directeuren en met grote ijver en plichtsbetrachting
uitoefenen. Het was een zware dagtaak want hij was als prefect verantwoordelijk
voor de goede gang van zaken op Rolduc. Hij hield, bijgestaan door de andere docenten
en oudere leerlingen - de surveillanten - toezicht op de leerlingen. Zijn dagtaak
begon om half zes 's morgens. Dan moesten de leerlingen opstaan, zich wassen en
kleden. Dit diende binnen twintig minuten te gebeuren. Vervolgens begaf iedereen
zich op weg naar de kerk voor het morgengebed en de mis. De prefect controleerde
de gangen en slaapzalen op laatkomers die dan genoteerd werden. Na de gezamenlijke
mis leidde hij de leerlingen naar de studiezalen, waar ze hun lessen nog eens
konden repeteren. Zelf had hij dan gelegenheid te ontbijten. Na het ontbijt, tijdens
de recreatie, stond prefect Tijssen op het bordes dat uitzag over het speelplein
om alles te controleren. Boosdoeners werden genoteerd of direct in hun nekvel
gegrepen en moesten rekening houden met bestraffing. Zo verliep de hele dag van
de prefect met controleren en het .letterlijk en figuurlijk in goede banen leiden
van de studenten. Gedurende zijn 'vrije' uren, als de leerlingen les hadden, was
prefect Tijssen ook voortdurend in de weer. Hij onderhield de contacten met hun
ouders of voogden. Als een leerling naar huis geroepen werd vanwege ziekte of
een sterfgeval, dan was het de taak van de prefect de bewuste leerling hiervan
op de hoogte te stellen en zijn thuisreis te regelen. Hij controleerde tevens
de post van de studenten. Op zijn bureau stond een grote lijmpot om na lezing
de enveloppen weer dicht te kunnen plakken. Inmenging in zijn censorschap duldde
Tijssen niet. Een student die hem verweet het briefgeheim te schenden, kreeg een
draai om zijn oren! Tijssen hield ook toezicht op het welzijn van 'zijn jongens'.
Leerlingen die in nood waren hadden zijn speciale aandacht. Ook hield hij spreekuur
voor de leerlingen. Iedereen die meende hem iets te moeten vragen of mededelen,
kon dan bij hem terecht. Zijn kamer was tevens een opslagruimte van "in beslag
genomen" goederen. Ook had hij het nodige "speelgoed" in voorraad.
Hij wilde dat de jongens van de laagste klassen 's avonds in de speelzaal steeds
bezig waren. Daarom beschikte hij over diverse gezelschapsspelen. Tweemaal per
week was er een grote wandeling. Steeds in de achterhoede lopend zorgde de prefect,
dat niemand achterbleef of afdwaalde om stiekem een café in te duiken of een brief
te posten. De studenten stonden steeds onder toezicht. Een toezicht dat pas eindigde
als de vakanties begonnen. De directeur en de provisor hadden de leiding in Rolduc,
Als beiden afwezig waren, moest Tijssen de directeursfunctie waarnemen. Zo gebeurde
het dat op 15 oktober 1902 onverwacht het rijtuig van prins Hendrik, de echtgenoot
van koningin Wilhelmina, het voorplein opreed en Tijssen namens directeur Corten
de prins der Nederlanden mocht begroeten. Bij die gelegenheid heeft Tijssen een
portret van Prins Hendrik in ontvangst genomen.
De
begaafde en getalenteerde directeur van Rolduc, Corten, maakte het Tijssen extra
moeilijk. Corten was een man die met grote goedheid en toegeeflijkheid zijn doel
trachtte te bereiken. Hij kon nu eenmaal geen kwaad zien in zijn jongens Daardoor
ontstond bij Tijssen een zekere nervositeit. Tijssen voelde dat de directeur niet
achter hem stond en dat hij er soms als prefect helemaal alleen voor stond. Voelde
prefect Tijssen dat hem door onvoldoende rugdekking van de directeur en zijn collega's,
de teugels ontglipten? Sommigen zijn van mening, dat prefect Tijssen orde en tucht
op Rolduc heeft gered: Het is slechts een vermoeden. Het waren overigens niet
alleen studenten die misbruik maakten van directeur Cortens goedheid. Ook een
aantal docenten nam het niet meer zo nauw met de reglementen. Na het plotselinge
overlijden van directeur Corten benoemde bisschop Drehmanns de directeur van het
Bisschoppelijk College van Roermond, Laurentius Schrijnen, tot directeur van Rolduc.
Of de bisschop overwogen heeft prefect Tijssen in die functie te benoemen, weten
we niet zeker.Dat er in die dagen heel wat mis was op Rolduc, blijkt uit een aantal
brieven met kritiek en aanbevelingen, die docenten van Rolduc naar de bisschop
stuurden. De docenten gaven hiermee gehoor aan een verzoek van de bisschop om
geïnformeerd te worden over de toestand op Rolduc. Enkele van de voornaamste klachten:
van de directeur werd verwacht, dat hij de docenten geregeld consulteerde en hun
gelegenheid tot inspraak gaf. Hij moest de wereldse geest onder de docenten bestrijden,
terwijl deze op hun beurt hun gedrag ook dienden aan te passen door tegenover
de leerlingen het goede voorbeeld te geven met betrekking tot het geregeld lezen
van de mis, het op tijd opstaan, het preken en het stipt vervullen van de beroepsplichten.
Uitstapjes naar Aken in civiel kostuum, het bezoek van dames en al te vertrouwelijke
omgang met leerlingen moesten tot een minimum worden beperkt. Op de studenten
zou strenger worden toegezien en subversieve elementen moesten verwijderd worden.
Tevens werd gepleit voor een selectiever aannamebeleid. Leerlingen met roeping
voor bet priesterschap zouden beter begeleid moeten worden, opdat hn roeping niet
verloren ging.. Tijssens' verhouding tot de leerlingen was goed en werd naarmate
de jaren verstreken steeds beter. Veel oud-leerlingen benadrukken zijn diepe gevoel
voor rechtvaardigheid, zijn grote goedheid en behulpzaamheid. 'Prefect Tijssen
was een man van gezag van wie de jongens veel accepteerden, omdat hij tevens de
reputatie had goed en rechtvaardig te zijn. De prefect kon genieten van de voetbalwedstrijden
die georganiseerd werden tussen de Limburgse en niet-Limburgse studenten. Een
krachtmeting die in de winter herhaald werd door sneeuwballengevechten! Intens
leefde hij mee met de schutterij van Rolduc, die hij inspecteerde als ze terugkwam
van het schuttersfeest in Herzogenrath. Diepe indruk maakte hij op een aantal
leerlingen, waarvan de vader of moeder overleed. Ook de Sittardse dichter René
Klinkenbergh (broer van Céline Klinkenbergh) had zo'n herinnering. Teruggekeerd
van de begrafenis van zijn vader, werd hij en zijn broer door de prefect Tijssen
opgewacht, die hen troostend toesprak. (Overigens is René Klinkenbergh dezelfde
man die in 1947 de opschriften maakte voor de zes klokken van de Grote Kerk.)
Tijssen kende geen favorieten en de jongens van deftige komaf genoten bij hem
geen privileges. Wel besteedde hij extra aandacht aan de jongelui, die roeping
hadden voor het priesterambt en de minderbedeelden onder de leerlingen. Zo zorgde
hij er persoonlijk voor dat leerlingen die geen Sinterklaasgeschenk van thuis
ontvingen, toch een pakje kregen.
Prefect
Tijssen heeft op de meeste van 'zijn' jongens een onuitwisbare indruk gemaakt.
Hij genoot grote hoogachting. Als hij na ziekte - hij leed veel aan reumatiek
- na enige dagen weer in de eetzaal verscheen, kreeg hij van de leerlingen een
ovatie. Hij was geliefd, ook omdat hij nooit iemand kwetste. Zelf werd hij wel
gekwetst. Een oud-leerling herinnert zich de staking van Rolduc. Omdat een beloofde
vrije dag niet werd gegeven, brak er onder de leerlingen een staking uit. Het
kwam zo ver dat men 's avonds bij het avondgebed in de kerk niet bidden en niet
zingen wilde. Daar werd Tijssen mee geconfronteerd. Zelf luid biddend en zingend
en meteen de ergste rebellen scherp in het oog houdend, liep de prefect door het
middenpad van de kerk op en neer. Het gezag stond op het spel en het was hem aan
te zien dat hij, een dergelijke rebellie niet nam. De situatie in huis bleef een
tijdlang uitermate pijnlijk, totdat men, door van beide kanten wat water in de
wijn te doen, ook dat incident weer te boven kwam. Op de speelplaats lette hij
overal op en moedigde aan tot spel. Leerlingen die niet speelden mochten in zijn
kamer een bal halen. "Vous ne jouez pas?!"" Mais mesjeu, nons n'avons
pas de boule"."Allez vite à ma chambre, vous y trouverez bien une sur
la table".Hier een korte vraag vol vriendelijke belangstelling naar een zieke
vader of moeder en dan weer het achterdochtig oor scherp te luisteren gelegd naar
de gesprekken van degenen die op en neer liepen. Voor de leerlingen was het moeilijk
zijn "alziend"oog te ontwijken voor een verboden uitstapje naar een
bakkerij of fruitweide. De seminaristen, de priesterstudenten, die uit een minder
welgesteld milieu stamden, hield hij de hand boven het hoofd en dan niet op de
eerste plaats, omdat ze door menig priesterleraar in de hoek werden geduwd, maar
vooral uit eerbied voor hun roeping. Op de wandelingen echter die hij geregeld
gaf, kwam hij los en liet hij zich gaan. Hij liep dan, stok in de hand, als een
veldheer tussen de jongens, berg op en berg af, dat het zweet hem van zijn voorhoofd
gutste. Rolduc lag hem diep in het hart en vooraan op de tong. Niet omdat
hij er de chef de la maison was, doch vanwege de traditie van het huis en de intelligentsia
uit het hele land, die in Rolduc een gedegen basisopleiding hadden genoten. Wie
over Rolduc en prefect Tijssen spreekt zal ook zal ook zijn grote verering voor
Maria niet mogen vergeten. Zijn toespraak tot de nieuwe leden van de Mariacongregatie
is geheel toegesneden op de studenten en hun leefwereld. Beeldspraak als: 'Gij
zijt geslagen tot ridder van de Koningin van hemel en aarde' heeft het ongetwijfeld
goed gedaan in die jongenswereld. De prefect wijst er nadrukkelijk op dat nog
nooit iemand tevergeefs een beroep heeft gedaan op Maria. Als patrones der studiën
en beschermster van kunsten en wetenschappen zal Maria hen altijd bijstaan.
Reeds de eerbiedwaardige Ailbertus, die in 1104 Rolduc stichtte, had groot vertrouwen
in Maria; hij stelde Rolduc onder haar bescherming en Rolduc heeft daar steeds
wel bij gevaren. Tijssen verwijst in zijn toespraak met name naar de muurschilderingen
in de kerk van kanunnik Goebbels, die o.a. Maria als schutsvrouwe van studie,
kunst en wetenschappen afbeelden. En vooral de schemerige intimiteit van de door
eeuwen gebed, gezang en wierook doortrokken kloosterkerk krijgt haar innigste
bezegeling in de kerstviering in de crypte, die de aller schoonste Romaanse crypte
der westerse wereld genoemd wordt. Sprekers en schrijvers zijn tot in onze tijd
enthousiast over Rolduc. Bisschop Frans Wiertz bij het 900-jarig jubileumfeest
van Rolduc: "Rolduc, is de bevoorrechte plaats waaraan alle oud-Rolduciens
heel speciaal gehecht zijn. Als wij dit jaar het 900-jarig bestaan vieren, dan
roept dat onmiddellijk bij ons een feestelijke stemming op. Rolduc is een
stukje van onszelf geworden!"
In
1911 was prefect Tijssen 23 jaar verbonden aan Rolduc als surveillant, professor
en prefect. Hij had inmiddels de leeftijd bereikt van 45 jaar en heel wat van
zijn collega's hadden een pastoorsplaats. Nu was ook eindelijk Tijssen aan de
beurt. Op zaterdag 1 juli 1911 kwam de bisschop van Roermond, Mgr. Drehmanns,
naar Rolduc om de volgende dag een aantal studenten te vormen. De avond bracht
Drehmanns door met directeur Schrijnen en de leden van de Raad. Prefect Tijssen
verscheen na enige tijd. Hij had, zoals gebruikelijk eerst zijn werk gedaan. Nadat
hij binnen was gekomen, benoemde Drehmanns hem vrijwel direct tot pastoor van
Susteren. De volgende dag kreeg hij al een felicitatiebrief van zijn broer Joseph.
Felicitaties waren er uiteraard ook van collega's en leerlingen. De schutterij
van Rolduc formeerde zich op commando tot een grote S (van Susteren). Directeur
Schrijnen wenste prefect Tijssen op de laatste vergadering van de Raad voor de
vakantie nogmaals geluk en sprak de hoop uit dat hij in Susteren veel kon doen
ter ere Gods en tot heil der zielen. Deze wens was, zoals zou blijken, niet aan
dovemansoren gericht. De benoeming tot pastoor was voor Tijssen een passende beloning.
Jarenlang had hij zich voor het Seminarie ingezet en er zich onmisbaar gemaakt.
Eindelijk kreeg hij de kans ergens pastoor te worden. Dat was op 21juni 1911 toen
plotseling pastoor Richard Verheggen van Susteren overleed. Hij moest naar Susteren.
De gemeente Susteren bestond uit de kern Susteren samen met het voorstadje Feurth
en de omliggende dorpen en gehuchten: Dieteren, Heide, Baakhoven en Gebroek. De
bevolking leefde voor het overgrote deel van de landbouw. Om de karige inkomsten
op te vijzelen trokken velen in de wintermaanden naar Duitsland om als 'brikkebekkesj'
te werken in de kleiwarenindustrie. Het aantal inwoners bedroeg op het einde van
de negentiende eeuw ca. 2000, maar zou in het tweede decennium van de twintigste
eeuw snel stijgen. Er vestigden zich veel nieuwe inwoners, waardoor de totale
bevolking op bijna 3000 kwam. Openbare voorzieningen waren er niet. Wel waren
er twee lagere scholen: één te Susteren en één te Dieteren. Susteren had ook een
station. De behuizing was voor het grootste deel slecht. Bakstenen voorgevels
camoufleerden de vakwerkhuizen die erachter schuil gingen. Waterleiding, riolering
en elektriciteit waren er nog onbekend. Over het negentiende-eeuwse parochieleven
te Susteren is onze kennis beperkt. Alleen de jaren 1891-1900 zijn goed gedocumenteerd.
In die jaren schreef de toenmalige kapelaan Bemelmans een kroniek. Het beeld van
de parochie Susteren dat hij schetst, verschilt niet veel van andere plattelandsgemeenten
uit die tijd. Er wordt verhaald over diverse parochianen en hun eventuele misstappen,
over conflicten tussen de burgemeester en de pastoor, die beiden streefden naar
een maximum aan invloed in de gemeente, over de oprichting van congregaties etc.
De pastoor werd in zijn herderlijk ambt bijgestaan door een kapelaan. Er werden
processies en bedevaarten gehouden. Gedurende het pastoraat van Tijssen ontwikkelde
Susteren zich verder. Van groot belang was de aanleg van een rangeerterrein bij
het gehucht Heide om de kolentransporten van de Limburgse mijnen naar het noorden
des lands sneller te laten verlopen. De aanleg van dit rangeerterrein bracht met
zich mee, dat veel spoorwegpersoneel zich blijvend vestigde in Susteren. In de
buurt van het station kregen ze een nieuwe woonwijk, die de naam 'Mariaveld' kreeg.
Mariaveld werd in 1916 verheven tot rectoraat en onder de geestelijke leiding
van de heren Lazaristen geplaatst. Ook op andere terreinen moderniseerde Susteren,
zij het slechts langzaam. In 1912 werd - mede door pastoor Tijssen - een Boerenleenbank
opgericht, die in 1914 gevolgd werd door een woningbouwvereniging. Omstreeks die
tijd werd Susteren aangesloten op het elektriciteitsnet. De ontwikkeling stagneerde
door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
De
Eerste Wereldoorlog In
de Eerste Wereldoorlog bleef Nederland neutraal. Het Duitse leger trok via België
naar Frankrijk. In België was de oorlogsschade enorm, denk maar eens aan de verwoesting
van de stad Ieperen en de slag bij Verdun. Nederland bleef door zijn strikte neutraliteitskoers
en een flinke dosis geluk buiten de strijd. Toch had de Eerste Wereldoorlog voor
onze streek grote nadelen. De verbindingen met de buurlanden werden abrupt verbroken.
Vóór augustus 1914 bestond de landsgrens in feite niet. Tijdens de oorlog verrezen
spoedig wachtposten en prikkeldraadversperringen. Er kwam een einde aan het werk
in Duitsland. Voor de bevolking, die deze bijverdiensten goed kon gebruiken,
was dat een zware slag. De mijnen boden weliswaar vervangende werkgelegenheid,
maar de meeste arbeiders wilden niet onder de grond werken. De geografische ligging
van Susteren in de smalle hals tussen België en Duitsland maakte Susteren wel
erg aantrekkelijk voor smokkelhandel. Naarmate de oorlog langer duurde bracht
de smokkelarij meer winst. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel inwoners
van Susteren actief aan deze illegale activiteiten deelnamen. Het risico van de
smokkel nam eveneens toe. Bang dat de neutraliteit in gevaar kwam, ging de overheid
strenger controleren aan de grens. Herhaaldelijk kwam het hierbij tot schietpartijen
tussen douaniers en smokkelaars. Een paar maal vielen daarbij zelfs doden.
Het einde van de "Groote Oorlog" werd voor Susteren ook nog onverwacht
spectaculair. De Geallieerden waren met de Nederlandse regering overeengekomen,
dat een groot deel van het verslagen Duitse leger vanuit België via Maaseik, Roosteren
en Susteren te voet naar Duitsland zou terugkeren. Aan de grens bij Roosteren
werden bijna 100.000 Duitse militairen eerst ontwapend en vervolgens naar
Duitsland geleid, gadegeslagen door de plaatselijke bevolking en duizenden belangstellenden
uit de omgeving. Een indirect gevolg van de oorlog was de Spaanse griep die talrijke
slachtoffers maakte. Pastoor Tijssen heeft de smokkelarijen, de grote ontwapening
van het Duitse leger en de Spaanse griep van nabij meegemaakt. Maar eerst het
begin.
Pastoor
te Susteren Op
1 juli 1911 was hij tot pastoor van Susteren benoemd. Tot aan het begin van de
grote vakantie bleef hij op zijn post in Rolduc. Daarna verliet hij Rolduc om
kennis te maken met Susteren en zijn inwoners. Op 1 augustus 1911 liet hij zich
als nieuwe burger van Susteren inschrijven. Met kapelaan Klinkum bezocht
hij de Amelbergakerk en de pastorie. Vervolgens maakte hij zijn opwachting
bij burgemeester Frans Evertz. De verhuizing van zijn armzalige inboedel vond
begin augustus plaats. De inrichting werd gecompleteerd door enige meubelstukken
uit het ouderlijk huis te Wessem. De installatie van een nieuwe pastoor was altijd
een feestelijke aangelegenheid. Meestal ging het overal op dezelfde manier.
Aan de parochiegrens of pastorie werd de parochieherder afgehaald door een afvaardiging
van geestelijken en wereldlijke gezagsdragers, vergezeld door een muziekgezelschap
en of de schutterij. De straten waren versierd met erebogen. Bij de kerk stonden
bruidjes klaar om een gedichtje op te zeggen. Daar kreeg de pastoor het zilveren
herdersschopje overhandigd. Uit handen van een kerkmeester of kapelaan ontving
de nieuwe pastoor de sleutels van de kerk. De installatieplechtigheid in de kerk,
werd door de deken geleid. De kinderen hadden die dag vrij en de pastoor met
zijn familie, vrienden en collega's gingen in de pastorie aan de feestdis. De
installatie van pastoor Tijssen vond plaats in de tweede week van augustus.
Om half vier in de middag werd hij door de schoolkinderen en de fanfare afgehaald
bij de pastorie. De vierjarige Herman Kelleners overhandigde hem het herdersschopje
en een meisje las een gedicht voor. Burgemeester Evertz en het hoofd der school,
J.P. Schutgens, hielden beiden een toespraak, waarin ze de nieuwe pastoor verwelkomden
en hem beloofden in alles terzijde te staan. Vervolgens liep het gezelschap naar
de kerk een afstand van zo'n dertig meter, waar kapelaan Klinkum aan pastoor Tijssen
de sleutels van de kerk overhandigde en eveneens een toespraak hield. De eigenlijke
installatie werd echter niet door de deken verricht. Deken Canoy van Sittard die
hem had moeten installeren was ziek. Pastoor Hennus van Nieuwstadt, verrichtte
de installatie. Zijn zus Marie Tijssen en zijn twee broers waren bij de plechtigheid
aanwezig.
Sedert
1877 waren de kerkbesturen samengesteld uit de pastoor, die tevens voorzitter
was, en vier of zes kerkmeesters. De bisschop benoemde hen uit een voordracht
van de pastoor uit de bekwaamste en achtenswaardigste, meerderjarige mannelijke
parochianen. Het dagelijks bestuur was in handen van de pastoor, de secretaris
en de penningmeester. Deze laatste hoefde geen lid van het kerkbestuur te zijn.
In zo'n geval had hij slechts een adviserende taak. De reglementen voor de kerkbesturen
bleven tot 1952 vrijwel ongewijzigd. Ofschoon pastoor Tijssen kon terugvallen
op het kerkbestuur en de ervaring van kapelaan Klinkum, die al bijna twintig jaar
als zielzorger actief was, waarvan elf jaar in Susteren en de plaatselijke omstandigheden
derhalve goed kende, viel de uitoefening van het pastoorsambt aanvankelijk
niet mee. Heimwee naar Rolduc was één oorzaak, een conflict met de pachters van
de kerkelijke landerijen was een andere. Onder de voorganger van pastoor Tijssen,
de oude en ziekelijke pastoor Verheggen waren de kerkfinanciën in het ongerede
gekomen. De pachters van de kerkelijke goederen hadden lange tijd hun pacht niet
of onvolledig betaald. Pastoor Tijssen moest de pacht verhogen om de kerkfinanciën
weer een beetje in orde te krijgen. De pachters kwamen tegen deze verhoging in
verzet. Burgemeester en kerkbestuur adviseerden Tijssen om niet toe te geven.
Zijn optreden als pastoor gaf de doorslag. De oppositie verstomde. De financiën
van de parochie werden correct bijgehouden en waren over het algemeen goed.
De administratie voerde pastoor Tijssen in de sacristie; dan was hij altijd bereikbaar
voor mensen die wilden biechten of communiceren. De doop-, trouw- en begraafregisters
werden met zorg behandeld. Tijssen vulde tevens het doopregister aan. Zijn voorganger
Verheggen had verzuimd de doopnamen te noteren. Tijssen schreef de namen met terugwerking
in tot 1893. Tevens legde hij een register aan van vóór 1 augustus 1911 gestichte
diensten. De zorg voor de pastorie liet Tijssen vooreerst over aan de huishoudster
van zijn voorganger, juffrouw Maria Ida Cörvers. Zij bleef in dienst tot 1915,
toen zij werd opgevolgd door juffrouw Petronella Janssen. Ten aanzien van de 'ancilla'
nam hij zich echter voor 'niet te familiaar - goed maar à distance' te zijn. De
antropologe Geertje van Os maakte een studie over de Bossche pastoriehuishoudsters.
Uit haar studie komt de precaire positie van de huishoudster duidelijk naar voren.
Zij nam een speciale plaats in tussen de pastoor en de parochianen die haar enerzijds
met respect, anderzijds met wantrouwen bekeken. Ondanks deze afstand vormde
zij een belangrijke schakel tussen pastoor en parochianen. Wie aan de deur kwam
of opbelde om 'mijnheer pastoor' te spreken, werd altijd eerst door haar te woord
gestaan om vervolgens al dan niet met hem in verbinding gesteld te worden.Hoewel
een pastoriehuishoudster een nogal teruggetrokken leven leidde, was zij bijzonder
goed op de hoogte van het wel en wee in een parochie. Zij moest er echter
voor zorgen, steeds naamloos op de achtergrond te blijven. Het dorp hield hun
scherp in de gaten. De Pastoor en zijn huishoudster moesten voortdurend op hun
hoede zijn geen aanleiding te geven tot dorpsroddel. In 1917 hoefde Tijssen zich
over mogelijke dorpsroddels geen zorgen meer te maken, aangezien zijn zuster,
Maria Janssen- Tijssen, de zorg voor het huishouden op zich nam.
De
contacten met zijn kapelaans en sedert 1916 met de rector van Mariaveld en diens
confraters waren eveneens zeer goed. Aangezien Tijssen grote moeite had om via
de preekstoel harde woorden te gebruiken - ofschoon hij wist dat die nodig waren
- liet hij die taak over aan zijn kapelaan. Hij sprak altijd vol lof over zijn
kapelaans. Oud-kapelaan Klinkum vertelde na zijn dood over hem: 'De kapelaan was
alles bij hem. Was de pastoor een dag of een halve dag uit geweest, dan ging hij
eerst naar zijn kapelaan vragen of er niets bijzonders in de parochie gebeurd
was. Een uitzondering op het boven geschetste beeld vormde de opvolger van kapelaan
Klinkum, Mathieu Hartmans. Hartmans, die naar het schijnt door zijn vader
min of meer was gedwongen priester te worden, had een relatie met een meisje en
werd daardoor zijn roeping ontrouw. Tijssen schijnt Hartmans, wiens moeilijkheden
hij kende, aangeboden te hebben bij hem in de pastorie te komen wonen. Ongetwijfeld
heeft hij getracht op die manier invloed op hem uit te oefenen en hem voor de
priesterstand te bewaren. Zijn opzet mislukte. Hartmans vertrok spoedig als kapelaan
naar Elsloo. Hij trad vervolgens uit de priesterstand en trouwde. Tijssen - die
tegenover de buitenwacht over deze kwestie zeer discreet was - was erg begaan
met de affaire. 'Want een priester, die niet vol ijver is, is ongelukkig voor
zich zelf, een ongeluk, een ramp voor de parochie'. Mogelijk zinspeelt Tijssen
hier op de kwestie. Tijssen zelf had zo'n achting voor het priesterambt en de
daaraan verbonden geloftes, dat hij zich waarschijnlijk slechts met moeite kon
verplaatsen in Hartmans' precaire positie en diens uittreding als persoonlijk
falen heeft opgevat. Tegenover het verdriet dat de zaak Hartmans veroorzaakte,
stond de vreugde over de eerste heilige mis die twee neomisten in de Amelbergakerk
te Susteren opdroegen en waarbij Tijssen hen assisteerde. Het inkomen van
de pastoor - het pastoorsbeneficie kan opgebouwd zijn uit vijf soorten inkomsten:
vrije inwoning in de pastorie en het vruchtgebruik van de tuin; de inkomsten uit
landerijen of andere 'pastoorsgoederen'; het regeringstractement; het salaris
dat de parochie verleent en de opbrengst van devotiekaarsen. Zo beschouwd, zou
een pastoor er goed van moeten kunnen leven. Doch als de parochie arm was, had
de pastoor geen groot salaris. In de negentiende eeuw hadden heel wat pastoors
en kapelaans geen reden tot juichen. De geringe salariëring en het ontbreken van
een pensioenvoorziening noodzaakten veel pastoors lang in het ambt te blijven.
De wellicht niet zo ruime salariëring was echter nog altijd beter dan die van
het gros der bevolking. Bovendien werd de geestelijkheid in zoverre gecompenseerd
dat zij vrije inwoning had in de pastorie. Groot en klein onderhoud drukten op
de kerkenkas. Verder waren er nog de bijdragen in natura. De plattelandsbevolking
stelde er een eer in om mijnheer pastoor een 'prouf' te brengen van het geslachte
rund of varken. Zo'n prouf was altijd het beste stuk. Er zijn ampele verhalen
bekend van pastoors en kapelaans, die, wetend dat ergens geslacht was, daar plotseling
op huisbezoek kwamen. Veel priesters leefden in armoede. Het kon gebeuren,
dat zij in die tijd een toelage van het kerkbestuur kregen, maar dat was ook geen
vetpot. De landelijke katholieke krant. De Maasbode maakte in 1917 melding,
dat de kapelaans van Afferden en Broekhuizenvorst failliet waren gegaan. Veel
Limburgse kapelaans verdienden jaarlijks niet meer dan 500 à 700 gulden. De tijden
waren duur en veel geestelijken kwamen uit minder goed gesitueerde families. Van
huis uit hadden zij geen kapitaal om op te teren. Van de staat kreeg men vrijwel
niets en de dikwijls arme parochies konden ook niet bijspringen. De Limburger
Koerier kwam in 1920 met een soortgelijk verhaal. Vanaf 1922 kregen pastoors
en kapelaans in de steden die minder hadden dan 1500 gulden, de rectoren die minder
hadden dan 1600 en de kapelaans in de kleinere gemeenten die minder dan 1500 gulden
verdienden voor een toelage in aanmerking. Deze bedragen bleven tot in de jaren
dertig gehandhaafd. Pastoor Tijssens inkomen bedroeg in 1916 1640 gulden.
Pastoor
Tijssen heeft zich als pastoor van Susteren ingespannen om zijn parochie op maatschappelijk
terrein op een hoger plan te brengen. Een van zijn eerste activiteiten was de
oprichting van een 'Boerenleenbank'. In de aangrenzende dorpen Echt en Nieuwstadt
bestonden al sedert 1903 en 1908 Boerenleenbanken. Op 16 november 1911 belegde
Tijssen een vergadering om de oprichting van de bank te bespreken. Zijn initiatief
werd met succes bekroond. Staande de vergadering werd tot oprichting besloten.
De eerste algemene ledenvergadering, waarin pastoor Tijssen benoemd werd tot adviseur,
vond plaats op 15 januari 1912. Daarnaast was hij ook adviseur van de Susterse
afdeling van de 'Limburgse Landbouw". In 1912 lanceerde Tijssen - door
zijn Rolducse achtergrond vertrouwd met de opgroeiende jeugd - het plan om voor
de jongeren van Susteren een patronaat met tekenzaal te bouwen. Hij richtte hiertoe
op 14 april 1912 een brief tot de gemeenteraad, waarin hij zijn plannen uiteenzette
en tevens verzocht om een subsidie. Hij voerde drie argumenten aan waarom een
patronaat hoogst wenselijk was. De jongens die de lagere school doorlopen hadden,
moesten de gelegenheid krijgen zich verder te ontwikkelen. Tevens werden ze van
de straat gehouden met 'onderhoudende spelen'. Ten derde konden in het patronaat
een leeszaal en bibliotheek worden ondergebracht. De raad ging op het voorstel
in en verleende gedurende tien jaar 200 gulden subsidie per jaar op voorwaarde
dat het patronaat inderdaad gebouwd werd. De voortvarendheid van Tijssen viel
echter minder goed bij het bisdom. In een brief van 29 oktober 1912 drukte hij
zijn spijt uit over het feit, dat hij de bisschop vooraf niet over zijn plannen
had geVnformeerd. Niet alleen de ontwikkeling der jeugd, maar ook die van de ouderen
ging Tijssen aan het hart. Hij nodigde begaafde sprekers uit die voordrachten
hielden over actuele thema's. Aan pastoor Tijssen was het ook te danken dat Susteren
zijn eerste eigen huisarts kreeg. In 1918 werd officier van gezondheid, luitenant
H.L.M. van der Hoff, in Susteren ingekwartierd. Hij raakte bevriend met pastoor
Tijssen, die hij bij diens ziekenbezoeken geregeld vergezelde. Op advies van Tijssen
vestigde Van der Hoff (de latere directeur van het Sittardse ziekenhuis) zich
als huisarts te Susteren. Of pastoor Tijssen ook betrokken was bij de oprichting
van de 'Woningvereniging Susteren' is niet zeker. Voor een directe betrokkenheid
zijn geen aanwijzingen gevonden. De voorzitter van de grondaankoopmaatschappij
'Tijdig', dr. Poels en zijn secretaris, de heer Ruemkens, reisden hiervoor op
3 september 1913 naar Susteren. In dat jaar werd in Susteren tevens een 'Geitenvereniging'
opgericht. De "koe der armen" zou voor veel behoeftige gezinnen met
kleine kinderen een zegen zijn. Burgemeester Evertz en pastoor Tijssen schaften
daarop, om het goede voorbeeld te geven, beiden een geit aan. Ofschoon de capriolen
van het beest de pastoor zeer amuseerden, verhuisde de geit al spoedig naar een
kinderrijke, behoeftige familie. Jac. Schreurs verhaalt, dat de geit verwijderd
is toen op zekere dag zijn oud-collega en kamerlid Nolens aan de deur stond en
door de geit werd verwelkomd. Naar de parochiekerk had Tijssen niet veel omkijken,
aangezien zij onder zijn voorgangers W. Hillen en R. Verheggen geheel was gerestaureerd
(1889-1893) en van nieuwe schilderingen voorzien (1896-1899). Tijdens de restauratie
werden ook veel nieuwe kerkmeubels aangeschaft. Tijssen spande zich wel in om
de kerk zo goed mogelijk te onderhouden. Hij zorgde ervoor dat de kerk een moderne
verwarming kreeg en elektrisch licht. Dit moet in 1914 zijn gebeurd. Het lukte
hem om de elektriciteit voor de kerk, het zusterklooster en de stichting te Mariaveld
ook nog tegen een gereduceerd tarief af te nemen. De omgeving van de kerk liet
hij verfraaien door het oude, het zogenaamde decanessenhuis - te laten slopen
en het kerkplein te beklinkeren. Herhaaldelijk wees hij de parochianen op de eerbiedwaardige
ouderdom en monumentaliteit van de kerk. Deze religieuze waarde werd nog vergroot
door het reliekenbezit. Het interieur, waarvan de verzorging toevertrouwd was
aan de Dochters van Liefde, moest zo fraai mogelijk zijn. Kerkelijke kunst werd
onder pastoor Tijssen niet aangeschaft.
Bijna
23 jaar was Tijssen leraar en prefect van Rolduc, toen hij in 1911 benoemd werd
tot pastoor te Susteren aan de oude Amelbergkerk. Dat betekende een volledige
omschakeling in een volkomen nieuwe en ongewone werkkring. In Susteren was Tijssen
geen strenge prefect meer, maar een zielenherder, die troost en hulp ging brengen
aan allen, die daaraan behoefte hadden. Zo zag men hem elke morgen na het vervullen
van zijn kerkdienst zijn armoedig gemeubileerde pastorie verlaten om zijn rondgang
te maken langs de huizen. Voor zich zelf had hij geen behoefte, hij rookte niet
en dronk niet. Dank zij zijn inlevingsgevoel wist hij zich in korte tijd
volledig op de hoogte te stellen van alles, wat er leefde in zijn parochie en
door zijn eenvoudige en hartelijke omgang kreeg hij spoedig het vertrouwen van
de mensen. Iedere dag ziet men hem op straat. Iedereen vriendelijk groetend en
de mensen open tegemoet tredend, gaat hij van huis tot huis. Bij de zieken natuurlijk
het eerst. Zijn voorliefde voor ziekenbezoek is al spoedig bekend. Ook zien de
mensen, dat hij voortdurend loopt te bidden, met de rozenkrans open in de hand
of in de zak. Als hij van Baakhoven komt waar iemand op sterven ligt en hij naar
de Heide wordt ontboden, gaat hij, bijna van de Belgische naar de Duitse grens,
in één weg door naar de Hei. Een meisje dat hem tegenkomt vraagt hem: "Maar
mijnheer pastoor, waarom fietst u dan ook niet?" "Och kind", zegt
hij "dan kan ik niet met de mensen praten." En hoe praat deze mens met
de mensen? Aan een postbode vraagt hij wat deze, heel de dag van hot naar haar
lopend, zoal doet. "Denken, mijnheer pastoor!" zegt de man. "Bidden
is nog beter, jongen!" zegt de bidder, die altijd met zijn rozenkrans loopt.
Bij een zieke klopt hij op het venster en roept: "Hoe gaat het, Sjang?"
. "Goed, mijnheer pastoor!" klinkt binnen het antwoord. En de pastoor:
"Je moet zeggen, het kan niet beter; Gods wil is immers altijd het allerbeste!"
Pastoor Tijssen komt voorbij een huis, waar een vrouw wortelenstamppot aan 't
koken is. "Ik zou hier wel willen blijven eten, want hier ruikt het goed,"
zegt hij tegen de vrouw. En tegen de man gekscheert hij: "Je schoorsteen
trekt goed, Bert; maar de mijne ook....... als ik wat te stoken heb tenminste."
Hij komt met een "tuut" vol eieren bij een zieke. en legt die op het
bed. Als de zieke zegt, dat hij zelf ook kippen heeft, merkt de pastoor lachend
op: "Maar niet zo'n lekkere eieren a1s ik!" Een wildstroper brengt mijnheer
pastoor een haas; zo, vers uit de velden. De pastoor weigert. De wildstroper houdt
aan. "Nee!" zegt de pastoor, "die haas accepteer ik niet, die is
niet van je eigen grond." De wilddief in zijn praktijken steunen doet hij
niet. En Bert kan gaan met zijn haas! Pastoor Tijssen is na enkele maanden
in Susteren al aardig op dreef. Hij heeft al heel wat slaapplaatsen gezien, aan
heel wat ziekbedden gezeten; heel wat armoe geroken. Al spoedig constateerde
hij, dat er in Susteren zoals in de meeste dorpen in die dagen, eerder armoede
dan welstand was. Vooral in deze omgeving, waar de landbouwgronden volledig ontoereikend
waren, had zich nooit een behoorlijk boerenleven kunnen ontwikkelen. Werkgelegenheid
was er haast niet en veel huisvaders waren daardoor gedwongen om ver van huis
in het buitenland werk te zoeken om hun gezinnen te kunnen onderhouden. Dat schiep
allerlei problemen, waarvan pastoor Tijssen in Rolduc alleen maar over had gehoord,
maar waar hij nu middenin zat. Hij nam zich voor om niet alleen aan de geestelijke,
maar waar mogelijk ook aan materiële verzorging van zijn parochianen te gaan werken.
Intussen
was in 1914 de eerste wereldoorlog uitgebroken en dat bracht voor de pastoor nieuwe
zorgen mee. Want door het sluiten van de grenzen hadden velen van zijn parochianen
hun broodwinning verloren en de opkomende mijnindustrie, nog in haar beginstadium,
bood in deze malaise nog onvoldoende vooruitzichten. Voor de goedhartige pastoor,
die meeleefde met de zorgen van anderen, werd de behoefte in vele van zijn gezinnen
toen aanleiding om de liefdadigheid op rigoureuze wijze te beoefenen door alles
weg te geven wat hij had. "Zijn pastorie is armoedig gemeubileerd",
zegt Anneke, de buurvrouw, die dat op straat brengt. "Geen lopers en geen
karpetten; alleen maar het strikt noodzakelijke. En misschien dàt niet eens. Het
enige wat opvalt is de zilveren schelp van het herdersschopje dat, met een witzijden
strik versierd, in de hoek van zijn zitkamer staat. Het merendeel van de mensen
van Susteren vertelt verhalen over hem die getuigen van een diep geloof en een
kinderlijk vertrouwen. Er is immers geen vreugde en geen verdriet denkbaar waarin
hij niet betrokken wordt. En simpel als een Godsgeschenk aanvaardt hij zijn populariteit.
Als iemand in moeilijkheden zit, krijgt hij van alle kanten de raad: "Ga
naar de heer pastoor, die helpt iedereen!"
Toen
in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, was pastoor Tijssen drie jaar bij ons
in Susteren. We zijn toen gespaard voor direct oorlogsgeweld, maar dat wil niet
zeggen, dat we geen last hadden van de indirecte gevolgen. Was ooit de wereld
een gekkenhuis, dan zeker nu. De wereld was vol allerhande geruchten van profetie
en ondergang die, door het nu eens veraf dan weer dichtbij gebulder van de kanonnen
en het rammelen van deuren en ramen op onze zenuwen werkten. De grenzen waren
afgegrendeld en verplichtten die mannen, die van kindsbeen af werk en brood in
Duitsland gevonden hadden, met de handen in de schoot te zitten samen met anderen,
die nooit van plan waren hun handen te gebruiken. In het zuiden rookten de mijnen;
doch voor de een nog te veraf en voor de ander nog teveel een schrikbeeld en een
hel om er zich aan gewonnen te geven. Wanneer enkelen de stoute schoenen aantrokken
en bij de mijnen onderdak zochten was dat, omdat de schoorsteen thuis moest blijven
roken en de kinderen om boterhammen vroegen. De rest gaf zich over aan smokkelarij,
die, eerst uit avontuur bedreven, gaandeweg tot bedrijf en kostwinning werd. Hand
in hand gaande met de dronkenschap, deed zij de herbergen floreren, de straten
brallen. Er gebeurden dingen, die iemand het hoofd deden duizelen. Gelukkig
werkten de spoorwegen verder aan het geprojecteerde emplacement en werd vanwege
de verwachte toeloop van spoorwegpersoneel in 1916 de kolonie van het Sint Vincentiusplein
gebouwd. Toen in 1917 ook nog het emplacement zelf tot uitvoering gebracht werd,
kwam er meer werk aan de winkel en kon ook een aantal van onze werkwilligen zijn
handen kwijt. En nog was de oorlog niet voorbij of het algemeen gebrek aan voedsel
en kleding, sleepte ziekte op ziekte over onze drempels de huizen binnen. Mannen
in de bloei van hun leven vielen als bomen aan tyfus of tuberculose ten prooi.
Het gebeurde, dat in één huis drie lijken boven aarde stonden en velen vroegen
zich af: ‘Waar is God?' Van de morgen tot de avond was toen onze pastoor op stap.
Als hij op de Heide iemand de ogen gesloten had, lag weer een ander in het Broek
op sterven. Men wist niet wie het meest te beklagen waren: de doden of de levenden.
De weduwnaar Nicolaas de Win, met zeven kinderen, huwde met de weduwe Maria Bouwers
die acht kinderen uit haar eerste huwelijk meebracht. En samen waren dat vijftien
kinderen. Een waar kapitaal! Iedereen vroeg zich af, waar die mensen de moed vandaan
haalden zich, in de gegeven omstandigheden, zoveel problemen op de hals te halen.
Alleen onze pastoor stelde geen vragen. Want: „waar mensen strijden, helpt de
Heer". Onze pastoor nam het gezin in bescherming dat nu, na tientallen jaren
nog iedere dag aan hem denkt en hem als een heilige vereert. Maar als je nu denkt
dat dit gezin het enige was waarover hij waakte, dan vergis je je toch. Het lag
beslist niet aan onze pastoor als er op een gegeven ogenblik bij ons geen boterhammen
voor de kinderen waren. Of hij er toen al een duidelijk sociaal program op nahield,
durven wij betwijfelen; maar al zijn sociale bekommeringen konden samengevat worden
in deze regel: „Red de zielen, red daarom de lichamen, red daarom het brood."
Nog
voor de grote oorlog voorbij was, kwamen mannen uit het Noorden, socialisten of
klassen-strijders genaamd. Ze kwamen hun ideeën over de klassenstrijd duidelijk
maken. Wat we van hen wisten was, dat jongens uit Limburg hen zo pas in Den Haag
de voet dwars hadden gezet en dat onze kinderen op de speelplaats uitgalmden „Weg
met de socialen, leve de Willemien" Wat was er in 1918 aan de hand? De dreiging
was vooral in Den Haag voelbaar. Leden van de hofhouding voelden zich bedreigd.
Joelende menigten trokken over het Voorhout. De regering had tegenmaatregelen
genomen. Hiertoe behoorden demobilisatie van minder betrouwbare elementen en het
oproepen van de aan het gezag uiterst loyaal geachte Landstorm. Het paleis was
op 13 november 's morgens vroeg door Limburgse Jagers onder directe bescherming
geplaatst. Er stonden twee mitrailleurs met veel munitie opgesteld in een vertrek
naast de Indische zaal. Zou de koningin moeten vluchten, dan waren daar ook maatregelen
voor getroffen: vluchtkoffers met juwelen en contanten waren in gereedheid gebracht.De
secretaris had zich op de avond van 13 november vermomd in de Haagse binnenstad
gewaagd. Het wemelde daar van troepen en joelende mensen. De Haagse afdeling van
de SDAP hield een grote vergadering waar voorzitter Willem Drees ‘duister' vaststelde
dat de tijd voor ‘een volledige democratie' nu ook in Nederland was aangebroken.
De secretaris meldde laconiek: "de Internationale werd slechts slap gezongen
en tegen elf uur was alles verspreid". De revolutie bleek eigenlijk mislukt
te zijn voordat ze begonnen was.
In
1916 was de beurt aan pastoor Tijssen om de zevenjaarlijkse heiligdomsvaart te
organiseren. Hij vroeg de bisschop mgr. Schrijnen echter om een jaar uitstel.
De Duitse pelgrims zouden in 1916 niet komen vanwege de oorlog. Dat betekende
niet alleen een financiële schadepost doch ook minder geestdrift, want het zijn
juist de Duitse processies met hun hartelijk luid gezamenlijk bidden, met hun
gezangen, die opgewektheid en geestdrift aan zo'n feesten luister bijzetten. Pater
Kronenburg had Tijssen beloofd de geschiedenis van de Susterse heiligen opnieuw
te bewerken en bijvoorbeeld in de Katholieke Illustratie te plaatsen. Tevens wilde
Tijssen prof. dr. Vogelsang vragen zijn artikelen over het evangeliarium van Susteren
te publiceren. Wellicht kon men op die manier voor de zomer van 1917 voldoende
publiciteit verwerven. Andere bezwaren om de heiligdomsvaart in 1916 te houden
waren de gelijktijdige heiligdomsvaart van Maastricht, de komst van de nieuwe
onervaren kapelaan Hartmans, de werkzaamheden in de kerk en de aanstaande afbraak
van twee 'onooglijke' huizen voor de kerk. Geconfronteerd met zoveel gegronde
redenen leek het ook mgr. Schrijnen beter om tot uitstel over te gaan. Gedurende
Tijssens pastoraat is er geen heiligdomsvaart meer gehouden. De oorlogsomstandigheden
en de moeilijkheden met kapelaan Hartmans zullen hieraan wel debet geweest zijn.
Zij werd pas weer in 1923 gehouden. Nochtans stelde Tijssen alles in het werk
om het aanzien van kerk en parochie te verhogen. Zo poogde hij de kerk haar oude
titel Sanctus Salvator terug te geven. Op 19 juni 1916 zond Tijssen de secretaris
van de bisschop het concept van een brief aan mgr. Schrijnen met daarin het verzoek
de kerk weer haar oude titel Sanctus Salvator terug te geven. De beslissing van
mgr. Schrijnen moet negatief zijn geweest, aangezien de titel der kerk H. Amelberga
gehandhaafd bleef. Meer succes had pastoor Tijssen bij de verwerving van een Willibrordusrelikwie.
Om de verering van de plaatselijke heiligen te bevorderen en de heiligdomsvaart
meer luister bij te zetten, bezat Tijssen graag een reliek van deze zo nauw met
Susteren verbonden heilige. Hij vroeg de Luxemburgse lazarist Mathias Job of in
Luxemburg geen relikwie te krijgen zou zijn. Job wendde zich op 17 juli 1916 tot
de secretaris van het bisdom Luxemburg, Edouard Garnich, en vroeg hem een goed
woordje te doen voor pastoor Tijssen bij bisschop Koppes: 'Sie können Monseigneur
versicheren, Herr Tijssen sei ein seeleneifriger Pfarrer, einer der besten Priester
der Diözese Roermond, und werde fromme Fürsorge tragen damit die hl. Reliquie
stets von seinen Pfarrkindern verehrt werde, wie es sich geziehme." Al op
26 juli kon Mathias Job aan Tijssen schrijven dat hij in Luxemburg een reliek
kon krijgen. De veiligste en snelste manier om haar te krijgen was persoonlijk
afhalen in Luxemburg. Of Tijssen ook naar Luxemburg afreisde, is ongewis, maar
de Amelbergakerk kreeg in elk geval een Willibrordusreliek.
In
zijn eerste testament, te Susteren opgemaakt, had deken Tijssen bepaald, dat al
wat hij aan kleren, linnen en beddengoed had, bij zijn dood aan de armen geschonken
moest worden. "In de eeuwigheid zal het een troost voor me zijn te weten
dat mijn kleren door de armen gedragen worden", had hij eraan toegevoegd.
Was zijn beurs leeg en zijn keuken- en linnenkast zonder voorraad, dan ging hij
bedelen bij anderen. En bedelen dat kón hij!Maar bedelen als een heer; en nooit
voor zichzelf; altijd voor anderen. Voor werk ging hij bedelen bij de werkgevers,
bij de Mijndirecties, bij de Spoorwegen. Minstens twintig keer ben ik met hem
naar Heerlen, naar Maastricht en naar Utrecht geweest. En het was altijd om werk.
Of om bij de grote bazen en de rechters ten gunste van de zijnen te pleiten. Dan
hoorde ik de heren al op voorhand zeggen: Zo mijnheer pastoor, komt u weer voor
een van uw 'heiligen' van Susteren? Dan glimlachte de pastoor. En was die of die
werkman, die of die smokkelaar, die of die stroper, die of die dronkaard of delinquent,
altijd weer véél beter dan men van hem dacht. Dan had die, hoe weinig goeds hij
overigens bezat, toch altijd nog zulk een brave moeder of zo'n oppassende vader.
En de zaak was dan gewoonlijk, zoals niet geheel en al, dan toch voor een groot
deel gewonnen! Na de dood van pastoor Tijssen zei een chef van de Mijnen:
"Aan hem hebben wij de goede geest onder onze mijnwerkers te danken."
Hoe dikwijls ook is, met name de directeur niet gezwicht voor de man die onweerstaanbaar
was, als hij ter liefde Gods voor zijn beschermelingen opkwam Overtuigd als
hij ervan was dat, vooral in de zielzorg, alles van de Genade en derhalve van
het gebed afhangt, toog hij in 1918, toen het geloof in Limburg meer en meer in
de branding geraakte, naar monseigneur Schrijnen om zijn bisschop toestemming
te vragen tot het stichten van een klooster van contemplatieve zusters: een droom
van hem, die door zijn overplaatsing naar Sittard onderbroken werd, doch die hem
ook als pastoor-deken van Sittard niet los zou laten. Zichzelf heiligend, liet
hij persoonlijk geen enkel middel onbeproefd om zijn parochianen te heiligen.
Door zijn gebed, zijn versterving, zijn heilig voorbeeld op de eerste plaats.
Vervolgens door zijn onderricht, zijn catechismus, zijn preken die eenvoudig,
praktisch en van hart tot hart waren. Meegesleept door zijn bezieling, bloeiden
zijn congregatie, zijn Heilige Familie, zijn Erewacht; kwam onder zijn parochianen
de veelvuldige heilige communie in trek en kon men in Susteren de huizen, waar
het H. Hart niet geïntroniseerd was, op de vingers van één hand tellen. Laat,
nadat ik mijn persoonlijke visie op de man Gods heb gegeven, ook mijn broer aan
het woord: "Pastoor Tijssen was een echt vrome, ijverige, heilige priester.
Hij was in onze tijden en omstandigheden voor Limburg een tweede pastoor van Ars,
van wie hij een groot vereerder was." "Men dacht de Heiland zelf te
zien rondgaan onder zijn volk, met eenzelfde groot begrip voor menselijke zwakheden
en tekorten als Onze Heer. Die men immers óók verweten heeft, dat de zondaars
zijn troetelkinderen waren,"aldus zuster Wouters. De vraag, of pastoor Tijssen
ook nederig was, is dan na al het voorafgaande, volkomen overbodig.
Vluchtelingen
en smokkelaars speelden tijdens de Eerste Wereldoorlog een grote rol in onze streek.
Pastoor Tijssen kreeg er in Susteren natuurlijk ook mee te maken. Het was
de burgemeester ter ore gekomen dat smokkelaars, in het nauw gedreven, hun toevlucht
op de pastorie hadden gezocht en gevonden. Toen burgemeester Evertz de pastoor
op de 'onwettigheid' van zijn handelwijze wees, glimlachte deze alleen maar veelzeggend.
En de burgemeester was eerlijk genoeg te bedenken, dat hij het ook niet na-liet
als hij een gesmokkelde ham kon bemachtigen. Dat de pastoor zo even nog een ham,
die hem door een smokkelaar werd opgedrongen, had geweigerd, wist de burgemeester
uiteraard niet. Om niet de indruk te wekken dat er alleen in Susteren smokkelaars
woonden, volgt hierbij een tekst uit "Sittard, Limburgse Stad" van Tam
Jonkergouw. Het boek geeft een goede sfeertekening van het leven in onze streek
tijdens de Eerste Wereldoorlog. Om leven en werken van een pastoor te begrijpen
is het ook nodig, dat men de omstandigheden waaronder hij werkte, enigszins kent.
1916: Nadat het verboden was paarden uit te voeren, werden de paarden zogenaamd
bij de boeren uit de stal gestolen en lagen de marken in de kribbe..Het aantal
koeien dat op slinkse wijze naar Duitsland werd uitgevoerd vermeerderde dagelijks.
Ten westen van het station langs de Limbrichterweg werd voor de gevluchte krijgsgevangenen
een houten quarantainekamp gebouwd, waar zij een tijdlang in observatie werden
genomen, teneinde hen op besmettelijke ziekten te kunnen controleren. Op 4 november
werd de Munster-gelener L.D. door schoten gedood in de Graetheide bij een poging
een zestal koeien over de grens te transporteren. In de nacht van 23-24 november
werden liefst 16 smokkelaars aangehouden; velen werden inderdaad gesnapt maar
nog meer werd er gesmokkeld! 1917: Op 6 januari waren er reeds 100 Duitse
deserteurs; zij hadden zich aan de militaire dienstplicht onttrokken. Op 16 januari
werd door de politie een veertigtal Duitsers over de grens gezet. Er kwamen steeds
meer Duitsers naar onze streken om te smokkelen; de plaatselijke gevangenissen
zaten propvol. Op 23 januari deden Rijksambtenaren huis-zoeking naar smokkelwaar.
Een dag later kwam weer een drietal ontvluchte Russen over de grens; terwijl op
de 27e een kar met smokkelwaar aangehouden werd. Op 29 januari werd mej. D.L.
op de Steenweg dodelijk gewond door een verdwaald schot van een grenscommies.
Op 15 maart 's nachts werd bij de Clootsbrug 400 kg levensmiddelen met bestemming
Duitsland in beslag genomen werden en zes begeleidende personen gearresteerd.
In maart werd bepaald dat alle smokkelaars die betrapt werden onmiddellijk in
hechtenis genomen zouden worden. Als arrestantenlokaal werd voor deze streken
het onbewoonde kasteel te Limbricht ingericht. Op 2 juni werd een bende smokkelaars
met 500 kg smokkelwaar aangehouden;twee van hen werden door geweerschoten gewond.
Sedert januari waren in totaal in Sittard en omstreken tijdens het smokkelen
3 personen gedood en 11 gewond. Op 2 juni werd bij een poging tot smokkelen een
zekere H. vd V. door kommiezen nabij de Clootsbrug doodgeschoten, terwijl de volgende
dag bij een poging tot smokkelen bij Stadbroek een jongeman S. hetzelfde lot trof.
De smokkelarij nam dergelijke vormen aan, dat op l september bij de terugkeer
van de jaarlijkse processie van Broeksittard zelfs de deelnemende vrouwen door
commiezen op smokkelwaar werden gevisiteerd! In de volgende aflevering gaan
we kijken hoe het pastoor Tijssen verder vergaat. Zijn Susterense dagen zijn
geteld. Sittard wacht!
Pastoor-Deken te Sittard
Vrij
naar Dr. A.Jacobs, "Louis Tijssen" en Jac.
Schreurs m.s.c." Pastoor-Deken Tijssen van Sittard"